Het heil is van JHWH (Jona deel 2)

In het eerste deel van deze serie studies over het boek Jona, hebben we gezien dat dit boek veel symboliek bevat. We hebben gezien dat het hoofdthema van het boek het graf en de opstanding is. En ook het teken van Jona, waar Jesjoea naar verwees in de context van Zijn verblijf in het graf en Zijn opstanding, hebben we voorbij zien komen. Verder hebben we gezien hoe Jona steeds meer afd(w)aalde en dat hem steeds werd opgeroepen om op te staan. Ten slotte hebben we gezien dat het schip naar ons denken verwijst, dat de zee naar de Messias verwijst en dat deze ook wordt verbonden aan het graf. Aan het einde van hoofdstuk 1 wordt Jona door een grote vis opgeslokt en Jona 2 is een gebed van Jona vanuit het binnenste van de vis.

Jona bidt: “Ik riep uit mijn benauwdheid tot de HEERE en Hij antwoordde mij”. Geestelijke benauwdheid wordt veroorzaakt door leugens en dwalingen in ons denken. Als we ons in deze benauwdheid oprecht tot JHWH richten, dan antwoordt Hij graag door ons aan Zijn waarheid te herinneren. En door onze geestelijke ogen verder te openen voor de diepere waarheid van Zijn Woord, die ons denken en hart zal bevrijden en genezen. Jona zegt dat hij uit de schoot van het graf om hulp riep. Dit Hebreeuwse woord beten (strong 990) wordt, net zoals het binnenste van de vis in hoofdstuk 1, ook gebruikt in de context van de moederschoot. De moederschoot, of baarmoeder, wordt in deze tekst verbonden met het graf. Het graf van waaruit we geboren worden in nieuw leven; dit verwijst naar de (geestelijke) opstanding.

In de verzen 2 en 3 worden verschillende symbolen gebruikt om aan te geven waar Jona in werd geworpen: in het water, in het graf, in de diepte; de diepste diepte waar de Messias is (Psalm 68:23, 139:8). Deze symbolen verwijzen naar sterven, naar geestelijk sterven aan onszelf als we in Hem (de zee) zijn, het Levende water (Johannes 4) dat Jona omringde (vers 3). Want letterlijk is Jona niet dood. Jona werd geworpen in het hart van de zee, dat verwijst naar het hart van de Messias en naar de vernieuwing van ons hart (Ezechiël 36:26-27) door de waarheid van het Levende water.

Het Hebreeuwse woord dat in vers 3 met baren wordt vertaald is misjbar (strong 4867). Dit woord komt van het Hebreeuwse woord sjabar (strong 7665) en dat is het woord dat in Jona 1:4 wordt gebruikt met het dreigen te ‘breken’ van het schip. De ‘baren’ van Zijn waarheid breken ons denken, waardoor de leugens en dwalingen vanuit de mens uit ons denken kunnen verdwijnen (zie ook Psalm 42:8).

Het Hebreeuwse woord dat in vers 3 met golven wordt vertaald, is gal (strong 1530). Dit wordt in de bijbel vaak gebruikt in de context van een stenenhoop (o.a. in Genesis 31:46, 48, 51, 52, Jozua 7:26 en 2 Samuël 8:17). En steen (rots) verwijst naar de Messias (1 Korinthe 4:10). Deze golven ‘die over ons heen slaan’ verwijzen dus weer naar de waarheid van de Messias.

Jona zegt in vers 4 dat hij verstoten was van voor Zijn ogen. Verstoten verwijst naar leugens en dwalingen in ons denken, wat zonde ten diepste is (Genesis 6:5). Jona verliet zich op leugens en dwalingen, toen hij in hoofdstuk 1 wegging van het aangezicht van JHWH. Als we ons verlaten op leugens en dwalingen, dan is ons denken verstoten omdat we Zijn waarheid afwijzen. Maar Jona heeft hoop: hij gelooft dat hij Zijn tempel zal aanschouwen. Tempel verwijst, net als andere verblijfplaatsen in de bijbel, naar ons denken. We kunnen dit onder andere afleiden uit het feest van de ongezuurde broden (Exodus 12), dat symbolisch verwijst naar het verwijderen van zuurdeeg uit ons denken (huis). Jesjoea verbindt zuurdeeg in Mattheüs 16 aan het onderwijs van de Farizeeën en Saduceeën, dat dwaling was: gedachten en opvattingen vanuit de mens dus en niet Zijn gedachten. Het feest van de ongezuurde broden verwijst dus symbolisch naar het verwijderen van leugens en dwalingen, gedachten en opvattingen vanuit de mens, uit ons denken. En de tempelreiniging (Mattheüs 21) verwijst naar de reiniging van onze ‘tempel’, ons denken. Als Jona gelooft dat hij ooit Zijn tempel zal zien, dan verwijst dit naar Zijn gedachten, die hoger zijn dan de onze (Jesaja 55:8). Jona heeft dus de hoop dat zijn denken ooit naar het beeld van Zijn denken zal zijn (Jesaja 55:8), dat hij ooit (geestelijk) zal aanschouwen (zien) (Johannes 9:39).

In vers 5 zegt Jona dat water zijn leven bedreigde. Water kunnen we verbinden met het Levende water en dit betrekt Jesjoea op Zichzelf (Johannes 4). Hoe bedreigt Levend water ons leven? Jesjoea roept ons op om het Levende water te drinken dat Hij geeft (Johannes 4 en 7). Het is het water dat uit de rots (Messias) komt (Jesaja 48:21, 1 Korinthe 10:4). Dit water geeft juist leven. Water verwijst naar Zijn waarheid en die waarheid bedreigt ons ‘vlees’, de leugens en dwalingen in ons denken. De leugens en dwalingen in het denken van Jona hebben het benauwd door het levende water van de waarheid dat om hem heen is. Maar Zijn waarheid maakt vrij (Johannes 8:32). Het Hebreeuwse woord dat in dit vers wordt vertaald met watervloed is tehowm (strong 8415) en dat betekent diepte en verwijst weer naar het graf (zie bijvoorbeeld Psalm 71:20). Het woord dat in dit vers met zeewier wordt vertaald is het Hebreeuwse woord soef (strong 5488) dat in de bijbel met name wordt gebruikt in de context van de Rode (soef) zee. Dat is opmerkelijk, omdat deze twee geschiedenissen: de oversteek door de Rode Zee en deze geschiedenis van Jona, in de diepere geestelijke betekenis naar hetzelfde verwijzen. Ze verwijzen beide naar opstaan, of geboorte, in nieuw (geestelijk) leven.

In vers 6 daalt Jona verder af, een daling die in hoofdstuk 1 al werd ingezet. Jona daalt af in de aarde. Afdalen in de aarde verwijst weer naar het graf. Jona daalde niet letterlijk af in de aarde, want hij was in de zee. Jona zegt dat JHWH zijn leven uit het verderf omhoog trok. JHWH trekt ons omhoog uit het verderf dat onze leugens en dwalingen veroorzaken. Hij trekt ons omhoog, naar Hem (Zijn waarheid) toe, zodat we geestelijk leven ontvangen. JHWH brengt ons uit het graf naar nieuw leven, nieuw geestelijk leven. En dit is waar de opstanding naar verwijst (Ezechiël 37:12, 1 Samuël 2:6, Psalm 30:4).

In vers 7 zegt Jona dat zijn ziel in hem bezweek. Bezwijken verwijst weer naar leugens en dwalingen in ons denken, want dat is waaronder we ten diepste bezwijken. Als we bezwijken, dan moeten we leren aan Hem te denken: ons denken te vullen met Zijn waarheid. Het keren tot Zijn tempel (denken) in vers 7 verwijst naar hetzelfde.

Als we ons denken richten op afgoderij, dan verlaten we Hem (vers 8). Door afgoderij richten we ons namelijk op iets anders dan op JHWH. Geestelijke afgoderij is het geloven in leugens en dwalingen in ons denken, in plaats van Zijn waarheid. Of het een fysiek beeld is of een beeld, een leugen, in ons hoofd: het effect is hetzelfde. En de beelden in ons hoofd zijn lastiger te onderscheiden omdat die niet tastbaar, niet fysiek zichtbaar zijn. Waar in deze tekst vertaald wordt met ‘nietige afgoden’ staat in het Hebreeuws letterlijk: leugen (sjav, 7723) leegte (hebel, 1892). Als we dus leugens en leegte vereren, dan verlaten we Hem en Zijn goedheid (waarheid) voor ons.

In vers 9 roept Jona uit: het heil is van JHWH! In de Hebreeuwse grondtekst staat er: Jesjoea (heil) JHWH (HEERE)! Het heil, onze verlossing, is alleen van en door Hem! Verlossing van de leugens en dwalingen in ons denken kan alleen door Zijn waarheid. Zijn Woord is de waarheid (Johannes 17:17, 19). En Zijn Geest van de waarheid in ons, zal ons leiden in heel de waarheid (Johannes 16:13). Zijn waarheid maakt vrij (Johannes 8:31-32).

Aan het einde van dit hoofdstuk komt er eindelijk verlossing voor Jona: hij wordt uitgespuwd. Jona werd omringd door (levend) water, waardoor hij zich in zijn denken kon bekeren tot de waarheid die hem omringde. En vervolgens staat Jona op in (nieuw) leven. Dit gebeurt na drie dagen, dezelfde drie dagen dat Jesjoea in het graf was: het teken van Jona (Mattheüs 12:39-40). Het getal drie verwijst in deze context dan ook naar opstanding in nieuw (geestelijk) leven (zie ook Hosea 6:2). Jona werd uitgespuwd op ‘het droge’. De oversteek van het volk Israël door de Rode (soef) zee was ook op droge grond (Exodus 14:22). We hebben hierboven gezien dat deze twee geschiedenissen in de geestelijke betekenis naar hetzelfde verwijzen; het zijn symbolen voor nieuw leven. Dezelfde ‘droge grond’ vinden we in Jozua 4:22, waar het volk de Jordaan oversteekt richting het beloofde land.

– – – –

Dit is het tweede deel van een serie studies over het boek Jona. Klik hier voor deel 3.

De geestelijke betekenis van de woorden en begrippen in dit blog worden uitgebreider uitgelegd in mijn boek.