Blog

De vluchtige gedachten van de mens

“De HEERE kent de gedachten van de mens: vluchtig zijn ze.” Psalm 94:11

De gedachten van de mens staan tegenover de gedachten van JHWH:

“Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.” Jesaja 55:8

In Psalm 94:11 worden de gedachten van de mens ‘vluchtig’ genoemd. Het Hebreeuwse woord dat in deze tekst met ‘vluchtig’ wordt vertaald, is hebel. En hebel betekent afgoden. Dit woord wordt voor (nietige) afgoden gebruikt in o.a. Deuteronomium 32:21, 1 Koningen 16:13, 26, Psalm 31:7, Jeremia 2:5, 8:19 en 14:22 en Jona 2:8.

Als we afgoden vereren, dan verlaten we Hem.

“Wie nietige afgoden vereren, verlaten Hem Die hun goedertieren is.” Jona 2:8

Dus als Psalm 94:11 zegt dat de gedachten van de mens afgoden (vluchtig, hebel) zijn, dan verlaten we Hem als Zijn gedachten niet onze gedachten zijn. Als we Hem niet dienen met onze gedachten, dan dienen we afgoden. Als het niet Zijn gedachten zijn (Jesaja 55:8), dan zijn het afgodische (vluchtige) gedachten. Als Zijn gedachten niet in ons hart zijn, dan zijn er afgoden in ons hart.

“Nu dan, doe de vreemde goden weg die te midden van u zijn, en richt uw hart op de HEERE, de God van Israël.” Jozua 24:23

Wees niet bevreesd, u hebt al dit kwaad wel gedaan, maar wijk niet langer van achter de HEERE af, en dien de HEERE met uw hele hart. Wijk niet af door de nietige afgoden na te volgen, die niet van nut zijn en niet kunnen redden, want zij zijn nietigheden.” 1 Samuël 12:20-21

Prediker staat bekend om zijn veelvuldige gebruik van dit woord ‘hebel’.

“Een en al vluchtigheid, zegt Prediker, een en al vluchtigheid, alles is vluchtig.” Prediker 1:2

Onze eigen werken zijn vluchtig (afgodisch), als ze niet uit Hem zijn:

“Ik heb alle werkzaamheden gezien die er onder de zon plaatsvinden, en zie, het was alles vluchtig en najagen van wind.” Prediker 1:14

“Toen richtte ik mijn aandacht op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon.” Prediker 2:11

En ook begeerte is vluchtig volgens Prediker.

“Beter is het zien van de ogen dan het gaan in de weg van de begeerte. Ook dat is vluchtig en najagen van wind.” Prediker 6:9

Begeerte zit in ons hart.

“U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is: U zult geen overspel plegen. Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft.” Mattheüs 5:27-28

“U zult niet begeren …” Exodus 20:17

Afgoden zijn ‘vluchtig’. Afgoden zijn nietig, of niets.

“Wat dus het eten van afgodenoffers betreft: wij weten dat een afgod niets is in de wereld en dat er geen andere God is dan Eén.” 1 Korinthe 8:4

De gedachten van de mens zijn dus ‘niets’ voor Hem. En ook wij moeten ze haten:

“Ik haat hen die nietige afgoden vereren. Ík vertrouw op de HEERE.” Psalm 31:7

Haat jij de gedachten van de mens in jouw hart en denken?

Wat de mond uitkomt

“U hebt mijn hart beproefd, het ’s nachts doorzocht, U hebt mij getoetst, U vindt niets. Wat ik ook moge denken, het komt mij niet uit de mond.” Psalm 17:3

Toen ik deze tekst las, kwam een andere tekst in mijn gedachten over iets wat uit de mond komt:

“Wat de mond ingaat, verontreinigt de mens niet; maar wat de mond uitkomt, dat verontreinigt de mens.” Mattheüs 15:11

Deze twee teksten zijn met elkaar verbonden.

De Psalmist legt in zijn Psalm de verbinding tussen hart, denken en mond. Hij schrijft dat JHWH niets vond in zijn hart. Bedoeld wordt natuurlijk: niets slechts. En omdat er niets slechts in zijn hart was, kwam dit ook niet uit zijn mond. Hier wordt duidelijk dat wat uit onze mond komt, voortkomt uit ons hart en denken. Hart en denken zijn in de Bijbel met elkaar verbonden en worden vaak in één adem genoemd, bijvoorbeeld in Genesis 6:5: ‘de gedachtespinsels van zijn hart’. Onze woorden worden gevormd vanuit wat er in ons hart en denken is. Is Zijn waarheid in ons denken en hart, dan komen Zijn woorden van waarheid uit onze mond. Zijn er leugens en dwalingen vanuit de mens in ons denken en hart, dan komen die leugens en dwalingen uit onze mond.

Jesjoea bevestigt dit principe in Mattheüs 15:11. Hij legt uit dat fysiek voedsel dat we in onze mond stoppen, ons niet zal verontreinigen. Want het komt in de buik terecht en wordt vervolgens afgescheiden (vers 17). Maar wat uit onze mond komt, en voortkomt uit ons hart, dat verontreinigt ons. Wat uit onze mond komt, laat zien wat er in ons hart en denken is.

“Maar de dingen die uit de mond komen, komen voort uit het hart, en die verontreinigen de mens. Want uit het hart komen voort kwaadaardige overwegingen, alle moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, lasteringen. Deze dingen zijn het die de mens verontreinigen” Mattheüs 15:18-20

Kwaadaardige overwegingen zijn ‘gedachtespinsels van het hart’ van de mens, en die zijn volgens Genesis 6:5 ‘alleen maar slecht’. Uit ons menselijk hart komen de dingen voort die Jesjoea als voorbeelden noemt. Hier bevestigt Hij ook dat de kern van zonde in ons binnenste is. Want een ‘kwaadaardige overweging’ is al zonde, zonder dat daar een ‘kwaadaardige’ handeling voor vereist is. In hetzelfde rijtje worden overspel en ontucht genoemd. Met onze woorden kunnen we overspel plegen, maar ten diepste met de ‘gedachten van ons hart’. Eerder schreef ik al dat overspel en ontucht ten diepste verwijzen naar onze relatie met Hem*. Zijn we Hem trouw in ons denken en hart? Of flirten we met gedachten vanuit de mens van deze aarde? Met onze woorden kunnen we ook moorden. Dat zegt Jesjoea ook in Mattheus 5:21-22. Valse getuigenissen en lasteringen van Hem zijn woorden die uit onze mond komen en Hem niet verheerlijken, maar afbreuk doen aan Zijn beeld. Woorden van leugens en dwalingen over Hem en Zijn Woord (die één zijn). En daarmee vervormen we Zijn beeld, niet alleen voor onszelf maar ook voor anderen die onze woorden horen (en lezen). Ook die woorden komen voort uit leugens en dwalingen over Hem en Zijn Woord, leugens en dwalingen die in ons denken en hart zijn.

Om gezondigd te hebben, is het dus niet nodig dat we fysiek moorden, of overspel of ontucht plegen. Leugens en dwalingen in ons hart en denken, maken al dat we gezondigd hebben. Het is dus van groot belang om ons hart te beschermen, door ons binnenste te vullen met Zijn woorden van waarheid:

“Mijn zoon, sla acht op mijn woorden,
neig je oor tot wat ik zeg.
Laat ze niet wijken van je ogen,
bewaar ze in het binnenste van je hart.
Ze zijn immers leven voor wie ze vinden,
en genezing voor heel hun vlees.
Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.”
Spreuken 4:20-23

* Blog: Heb JHWH lief met heel je hart, en ook op mijn FB pagina: Naar uw Man zal uw begeerte uitgaan

Ik deed opnieuw wat slecht was in de ogen van JHWH …

Als je de diepere geestelijke betekenis kent van woorden en uitdrukkingen in de Bijbel – die door de patronen van gebruik hiervan zichtbaar wordt – dan komt wat Hij ons wil vertellen door Zijn Woord veel dichterbij. Dan wordt het veel confronterender. En dan gaat het Zijn uitwerking hebben binnenin ons, waardoor bevrijding zal volgen. Want Zijn waarheid maakt vrij (Joh. 8:32-33). En dat is waarom deze ‘manier’ van Bijbeluitleg niet de zoveelste theologie is, maar waarom het ons echt kan veranderen. Naar ik geloof waar Zijn Woord voor bedoeld is (2 Timotheüs 3:16). En dat is mijn drive om hierover te blijven schrijven, zodat het ook anderen kan veranderen zoals het mij heeft gedaan (en nog steeds doet).

Als voorbeeld noem ik regelmatig deze:

“En Jezus ging de tempel van God binnen en dreef allen die in de tempel verkochten en kochten naar buiten (…). En Hij zei tegen hen (….) u hebt er een rovershol van gemaakt”. Mattheüs 21:12-13

Wat hier in de diepere betekenis staat is dit:

En Jezus ging mijn denken binnen en dreef alle leugens en dwalingen die ik in/vanuit mijn denken heb onderwezen en aangenomen naar buiten, (…). En Hij zei tegen mij (….) je hebt er een rovershol van gemaakt.

En dat komt dieper binnen. Want dan realiseer ik mij dat Jesjoea met de tempelreiniging duidelijk wil maken dat mijn hart en denken een rovershol zijn, en dat Hij die wil reinigen.

Het ‘om-schrijven’ van Richteren 10:6-16 naar de diepere geestelijke betekenis van ‘afgoden’, maakte op mij opnieuw weer indruk. Als je de diepere betekenis van afgoden kent, namelijk leugens en dwalingen in ons denken en hart*, dan is deze tekst over het dienen van allerlei goden van andere volken, en de emotionele reactie van JHWH daarop, veel confronterender en komt het veel dichterbij. Dan gaat het niet alleen over het volk Israël duizenden jaren geleden. Maar dan gaat het over mij. En dan staat er dit:

Maar ik deed opnieuw wat slecht was in de ogen van JHWH, en diende (richtte mij tot) leugens en dwalingen in mijn denken en hart (afgoden). Ik verliet JHWH en diende Hem niet. Toen ontbrandde de toorn van JHWH tegen mij en Hij leverde mij over aan de leugens en dwalingen. En deze begonnen mij te verdrukken en te vertrappen. Deze onderdrukten mij. Ik zat zeer in het nauw. Toen riep ik tot JHWW en ik zei: Ik heb tegen U gezondigd, zowel omdat ik mijn God heb verlaten, alsook omdat ik leugens en dwalingen heb gediend (me daarop heb verlaten). Maar JHWH zei tegen mij: Heb Ik je niet van de leugens en dwalingen verlost, toen zij je onderdrukten en je tot Mij riep en Ik je daarvan verloste? En toch heb je Mijn waarheid verlaten en leugens en dwalingen gediend. Daarom zal Ik je niet meer verlossen. Ga weg en richt je tot de leugens en dwalingen die je verkozen hebt. Laten die je verlossen ten tijde dat je in nood verkeert! Maar ik zei tegen JHWH: Ik heb gezondigd. Doet U maar met mij naar alles wat goed is in Uw ogen; alleen, red mij toch op deze dag! En ik deed de leugens en dwalingen weg en diende JHWH. Toen kon Zijn ziel mijn moeite niet langer verdragen.

En dat is waarom we Zijn waarheid in ons denken en hart zouden moeten willen, in plaats van leugens en dwalingen vanuit het denken van de mens. Leugens en dwalingen verdrukken ons. Maar Hij wil ons daarvan verlossen.

– – – –

* Als we ons denken richten op afgoderij, dan verlaten we Hem. Want door afgoderij richten we ons op iets anders dan op JHWH. Geestelijke afgoderij is het geloven in leugens en dwalingen in ons denken, in plaats van Zijn waarheid. Of het een fysiek beeld is of een beeld, een leugen, in ons hoofd: het effect is hetzelfde. En de beelden in ons hoofd zijn lastiger te onderscheiden omdat die niet tastbaar, niet fysiek zichtbaar zijn. Als we Hem niet aanbidden in ons denken en hart, als we dus ons denken en hart niet vullen met Zijn waarheid, dan aanbidden we leugens en dwalingen. En dat zijn onze geestelijke afgoden.

Zie ook: https://www.facebook.com/zoekeersthetkoninkrijk/posts/937979939887191

Donderpreekjes?

Soms krijg ik de opmerking dat wat ik schrijf zo negatief is. Dat ik zo negatief schrijf over de mens. Dat het donderpreekjes zijn. In Hem zijn we toch volmaakt? En zo ziet Hij ons toch ook? Ik begrijp wel dat het zo kan overkomen, vandaar dat het me goed leek om hier een blog aan te wijden.

Wat ik schrijf gaat met name over de staat van ons hart en denken. Ten opzichte van het hart en denken van JHWH. Hoe je het ook wendt of keert, in die vergelijking komen we niet positief uit de bus. De Bijbel gebruikt hier verschillende symbolen voor, waardoor deze boodschap op praktisch elke bladzijde van de Bijbel terugkomt. Het is iets wat JHWH blijkbaar heel duidelijk wil maken, alsof Hij het door een megafoon schreeuwt. 

Wil dat dan zeggen dat Hij ons niet lief heeft? Of dat Hij als een straffende God hoog in de hemel op ons zondige mensen neerkijkt met minachting? Nee, dat geloof ik niet. Het is júist omdat Hij ons liefheeft. JHWH heeft lief, Hij ís liefde. En Zijn liefde wil dat we ons laten bevrijden van de staat van ons menselijke hart en denken. Zijn liefde wil dat we niet langer worstelen met wat in ons hart en denken is, wat niet Zijn waarheid is. Want Zijn waarheid maakt vrij (Johannes 8:32, 33). Hij wil dat we vrij worden, steeds meer.

Wat we misschien niet altijd goed realiseren, is dat Hij ons wil bevrijden van iets waar we misschien van denken dat we daar geen last van hebben … totdat we ervan bevrijd zijn. Zoals ongelovige mensen niet weten wat ze missen, totdat ze tot geloof komen. Hij wil dat we gaan leven naar Zijn wil, in alle opzichten. En dat begint met Zijn wil in ons denken en hart. Dat begint met Hem op de troon. Dat begint met steeds meer van Hem, steeds minder van mij (Johannes 3:30). Dat begint met Zijn Koninkrijk (Mattheüs 6:33, Lukas 17:21), in plaats van mijn koninkrijk. Dat begint met Zijn waarheid in ons denken en hart.

Dat wil Hij niet om de Goddelijke tiran uit te hangen. Dat is menselijk gedacht, omdat de gevallen wereld zo in elkaar zit. Hij is onze Maker, zou Hij niet weten wat het beste voor ons is? Het is een grote dwaling om te denken dat we het zelf beter weten, dat we zelf wel weten wat goed voor ons is. Dat we zelf wel weten wat waarheid is. Hij wil dat we dat opgeven, stapje voor stapje. Hij wil ons daarvan bevrijden. Zijn waarheid, tegenover onze dwaling. Dat is geestelijke groei. En dat maakt vrij. Zo worden we, door Zijn waarheid, steeds meer gevormd naar Zijn beeld (Efeze 4:15).

En tenslotte, als Zijn Woord waarheid is (Johannes 17:17), en Zijn waarheid vrijmaakt (Johannes 8:32,33), dan is het natuurlijk enorm belangrijk dat we Zijn Woord wel juist begrijpen. Dan moeten we onderzoeken hoe Híj wil dat we Zijn Woord begrijpen. In plaats van ‘eigenmachtige’ uitleg vanuit de mens (2 Petrus 1:20). Ik begrijp goed als je denkt dat ook ik de Bijbel ‘eigenmachtig’ uitleg. Of als je denkt dat dit weer een zoveelste manier is van de Bijbel uitleggen, die naast alle andere – zelfs tegensprekende – uitleggen staat. Het is aan jou om wat ik schrijf in de Schriften te onderzoeken (Handelingen 17:11). En ik sta altijd open voor eerlijke vragen.

Zieke stenen in ons denken

“dan moet de priester opdracht geven om de stenen waaraan die ziekte zich bevindt, eruit te breken, en ze buiten de stad te werpen, op een onreine plaats.” Leviticus 14:40

Dit gedeelte uit Leviticus 14 gaat over melaatsheid in een huis. Bij melaatsheid in een huis moeten de aangetaste stenen eruit worden gebroken, en die moeten buiten de stad worden geworpen op een onreine plaats.

Een huis verwijst in de Bijbel naar ons denken (1). Wat zijn de ‘bouwstenen’ van ons denken? Dat zijn onze gedachten. In deze tekst gaat het om zieke stenen. De ziekte van melaatsheid verwijst naar leugens en dwalingen in ons denken (2). En die maken ons denken onrein, wat de ‘onreine plaats’ in deze tekst verklaart. Elke ‘zieke steen’ van leugen moet uit ons denken worden ‘gebroken’.

De symboliek uit Leviticus 14 vinden we terug in Lukas 8, waar Jesjoea demonen naar een onreine plaats stuurt. Hij stuurt demonen naar varkens, en die zijn volgens Leviticus 11:7 onrein. Maar wat hebben demonen te maken met leugens en dwalingen?

In het Oude Testament is er slechts een handjevol teksten waarin demonen worden genoemd. In deze teksten worden twee verschillende Hebreeuwse woorden gebruikt voor demonen: sa’ier (strongnummer 8163) en sjeed (strongnummer 7700). Sa’ier betekent geitenbok, en wordt van de 29 keer dat dit woord voorkomt in de tekst van het Oude Testament, slechts twee keer vertaald met demonen. In deze beide teksten gaat het om een afgod. In de Israëlische afgoden cultus, die was overgenomen van Egypte, werd de geitenbok als afgod aanbeden. Het Hebreeuwse woord sjeed wordt ook gebruikt in de strekking van een afgod. Aan deze ‘sjeed’ werd geofferd. Uit het gebruik van de Hebreeuwse woorden voor demonen in het Oude Testament, kunnen we dus afleiden dat demonen en afgoden met elkaar verbonden zijn.

In een eerder blog (3) heb ik uitgelegd wat een afgod in de kern precies is. Als we ons denken richten op afgoderij, dan verlaten we Hem. Want door afgoderij richten we ons op iets anders dan op JHWH. Geestelijke afgoderij is het geloven in leugens en dwalingen in ons denken, in plaats van Zijn waarheid. Of het een fysiek beeld is, al dan niet in de vorm van een geitenbok, of een beeld, een leugen, in ons hoofd: het effect is hetzelfde. En de beelden in ons hoofd zijn lastiger te onderscheiden omdat die niet tastbaar, niet fysiek zichtbaar zijn. Als we Hem niet aanbidden in ons denken en hart, als we dus ons denken en hart niet vullen met Zijn waarheid, dan aanbidden we leugens en dwalingen. En dat zijn onze geestelijke afgoden. Zo zijn demonen dus verbonden met afgoden, en in de kern met leugens en dwalingen in ons denken.

Waar in het Oude Testament slechts in een handjevol teksten sprake is van demonen, vinden we in het Nieuwe Testament veel meer teksten. Het overgrote deel van deze teksten staat in de Evangeliën. De Evangeliën zijn verslagen van het onderwijs van Jesjoea over het Koninkrijk. Het uitdrijven van demonen heeft alles te maken met het Koninkrijk:

“Maar als Ik door de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen.” Mattheüs 12:28

Net zo goed als het uitdrijven van leugens en dwalingen, en het aannemen van de waarheid, alles te maken hebben met Zijn Koninkrijk. Met Zijn Koninkrijk binnen in ons, in ons denken en hart:

“En men zal niet zeggen: Zie hier of zie daar, want, zie, het Koninkrijk van God is binnen in u.” Lukas 17:21

Jesjoea dreef demonen uit met Zijn woord:

“Toen het nu avond geworden was, brachten ze velen die door demonen bezeten waren, bij Hem, en Hij dreef de boze geesten uit met een enkel woord” Mattheüs 8:16

Leugens en dwalingen worden vernietigd door Zijn woord van waarheid (Johannes 17:17). Laat Zijn woord van waarheid (‘de kennis van God’) dus de zieke ‘stenen’ uit jouw ‘huis’ breken:

“Want wij breken valse redeneringen af en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, en wij nemen elke gedachte gevangen om die te brengen tot de gehoorzaamheid aan Christus” 2 Korinthe 10:5

En dan zal bevrijding volgen. Want Zijn waarheid maakt ons vrij!

“Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.” Johannes 8:31-32

– – – –

(1) Zie o.a. het blog Als Zijn heerlijkheid onze tabernakel vervult, en op mijn FB pagina: huis = denken.

(2) Zie het blog Geestelijke dood een geestelijk leven.

(3) Het heil is van JHWH (Jona deel 2)

De stenen tafelen

De stenen tafelen werden twee keer aan Mozes gegeven. Als we de geschiedenissen lezen van deze beide gebeurtenissen, dan valt op dat er verschillen zijn. Als we de patronen in het Woord volgen van deze verschillen, dan komen we tot interessante ontdekkingen over de diepere betekenis hiervan. En dan ontdekken we ook hoe verschillende Bijbelteksten met deze geschiedenissen verbonden zijn en ons steeds hetzelfde vertellen. Een boodschap die JHWH blijkbaar belangrijk genoeg vindt om te blijven herhalen.

“Toen ik de berg opgeklommen was om de stenen tafelen, de tafelen van het verbond dat de HEERE met u gesloten had, te ontvangen, bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg. Ik at geen brood en dronk geen water. En de HEERE gaf mij de twee stenen tafelen, beschreven door de vinger van God; daarop stonden alle woorden die de HEERE met u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag dat u daar bijeenkwam.” Deuteronomium 9:9-10

Mozes ontving de eerste stenen tafelen van JHWH. Deze gooide Mozes stuk toen hij het volk in afgoderij aantrof terwijl hij van de berg afdaalde; symbool van het overtreden door het volk van wat er op de stenen tafelen geschreven stond.

“In die tijd zei de HEERE tegen mij: Houw twee stenen tafelen voor u uit, net als de eerste, en klim de berg op, naar Mij toe; ook moet u een kist van hout voor u maken.” Deuteronomium 10:1

De tweede set stenen tafelen moest Mozes zelf uithouwen en meebrengen. De tweede keer moest Mozes niet alleen de stenen tafelen meebrengen, maar ook een kist van hout maken. De kist van hout was bedoeld om de stenen tafelen in te leggen, direct nadat Mozes weer van de berg was afgedaald (Deuteronomium 10:5). Deze kist van hout was natuurlijk de ark van het verbond.

“Er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij de Horeb daarin gelegd had, toen de HEERE een verbond gesloten had met de Israëlieten, toen zij uit het land Egypte waren vertrokken.” 1 Koningen 8:9

Elk voorwerp in de Bijbel dat inhoud kan bevatten, is een geestelijke verwijzing naar ons denken en hart. En de inhoud hiervan, zijn gedachten. Ook de ark van het verbond is een voorwerp dat inhoud bevatte. De ark verwijst geestelijk dus ook naar ons denken en hart. Dat Mozes de tweede set stenen tafelen, beschreven met de woorden van JHWH, in de houten kist moest leggen symboliseert dat Zijn woorden in ons denken en hart moeten zijn. Zijn gedachten moeten onze gedachten zijn (Jesaja 55:8). En dit is een belangrijk verschil met de eerste stenen tafelen.

Wat de tweede set stenen tafelen in het ‘binnenste’ van de kist symboliseert staat in Jeremia 31:33:

“Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven.”

Als Hij Zelf Zijn woorden in ons hart schrijft, dan zijn Zijn woorden niet buiten ons, zoals de eerste set stenen tafelen. Als Hij Zelf Zijn woorden in ons hart schrijft, dan zijn ze in ons, zoals de tweede set stenen tafelen in de ark.

De eerste set ging nergens in, en de stenen tafelen werden stukgebroken. Dit is als Zijn woorden buiten ons zijn, en we niet handelen of leven vanuit Zijn woorden in ons. Als we niet handelen vanuit Zijn woorden in ons binnenste, dan handelen we vanuit eigen menselijke kracht. En dan lijkt onze motivatie op die in heidense godsdiensten, waarbij allerlei handelingen en rituelen moeten worden gedaan om de god(en) tevreden te stellen. Dat is voor velen een valkuil; dan spreek ik ook voor mezelf. En dan falen we, wat het stukgooien van de eerste set stenen tafelen symboliseert.

De tweede set stenen tafelen symboliseert Zijn woorden dieper in ons, in ons binnenste, in ons hart en denken. Vanuit Zijn woorden in ons hart en denken, zullen we vanzelf naar Zijn woorden gaan handelen, gaan leven. We kunnen niet anders als ons hart en denken meer en meer gaan lijken op Zijn hart en denken (Jesaja 55:8, Efeze 4:15-32).

“Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.” Ezechiël 36:26

De woorden van JHWH in de ark van het verbond waren op steen geschreven. Maar Hij wil Zijn woorden in ons hart schrijven (Jeremia 31:33). Dat is de bediening van de Geest (het geestelijke), die levend maakt. In plaats van de letter (het letterlijke), die doodt (2 Korinthe 3:6-8). En hierdoor zal ons hart en denken worden veranderd naar Zijn beeld.

“Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt.” 2 Korinthe 3:18

En wellicht is dat de reden dat Mozes de tweede set stenen tafelen zelf moest uithouwen en mee moest nemen naar ‘boven’. De eerste set kwam van ‘boven’, door JHWH Zelf uitgehouwen. De tweede set kwam van de aarde ‘beneden’, en moest Mozes zelf aan JHWH geven zodat Hij Zijn woorden daarop kon schrijven. Dit symboliseert ons hart van steen, met leugens en dwalingen vanuit het denken van de mens van de aarde ‘beneden’, waar Hij Zijn woorden van waarheid in wil schrijven als wij ons hart van ‘beneden’ naar ‘boven’ aan Hem geven. Zo wordt ons hart van steen een hart van vlees.

Een priem door het oor in de deur

Wanneer u een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende mag hij zonder te betalen als vrij man vertrekken. (…) Maar als de slaaf nadrukkelijk zegt: Ik heb mijn meester, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet als vrij man vertrekken, dan moet zijn meester hem bij de rechters brengen. Hij moet hem bij de deur of de deurpost brengen. Zijn meester moet dan met een priem zijn oor doorboren. Zo zal hij hem voor eeuwig dienen.” Exodus 21:2, 5, 6

“Als uw broeder, een Hebreeuwse man of Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht is, dan zal hij u zes jaar dienen; maar in het zevende jaar moet u hem vrij van u laten weggaan. (…) Maar het moet zó zijn, als hij tegen u zegt: Ik wil niet bij u weggaan, omdat hij u en uw gezin liefheeft, omdat hij het goed bij u heeft, dat u een priem neemt en die door zijn oor en in de deur steekt; dan zal hij voor altijd uw slaaf zijn.”
Deuteronomium 15:12, 16, 17

Een priem door zijn oor in de deur. Wat kan de betekenis zijn van dit, op het eerste oog vreemde, ritueel?

Bij dit ritueel werd het oor van de slaaf met een priem doorboord. Waarom het oor? In Mattheüs 13:9 zegt Jesjoea: ‘wie oren heeft om te horen, laat hij horen’. En in Openbaring staat herhaaldelijk: ‘wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeente zegt’. Als iets wordt herhaald, dan wordt er nadruk op gevestigd. Zijn Woord wil ons duidelijk maken hoe belangrijk ‘horen’ is. Oren verwijzen naar het horen wat de Geest tot ons zegt. En dat is geestelijk horen, we horen hem (meestal) niet met onze fysieke oren. De Geest spreekt tot ons door Zijn Woord. Hij spreekt in de diepere geestelijke betekenissen die we kunnen zien als we de patronen kennen van Zijn gebruik van woorden. En als we vervolgens weten wat de Geest ons met deze patronen wil laten zien. De Geest van waarheid wijst ons de weg in heel de waarheid. Hij spreekt wat Hij ‘gehoord’ heeft, Hij spreekt vanuit Jesjoea (Johannes 16:13-14). We moeten horen naar Hem:

“en zie, een stem uit de wolk zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem!” Mattheüs 17:5

Het oor werd aan een deur vastgezet. Waarom een deur?

“Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de Deur voor de schapen.” Johannes 10:7

Jesjoea is de Deur. Ons oor op Hem vastzetten, betekent dat we naar Hem moeten luisteren.

Een deur geeft toegang. Waar leidt de Deur van Jesjoea naartoe? Om een deur te kunnen openen, hebben we meestal een sleutel nodig. In Jesaja 22:22 wordt de sleutel van het huis van David op een Dienaar gelegd. Uit Openbaring 3:7 blijkt dat Jesjoea deze sleutel heeft. In Mattheüs 16:19 worden sleutels genoemd die toegang geven tot het Koninkrijk. De Deur geeft dus toegang tot het Koninkrijk.

Wat is dan de sleutel? In Lukas 11:52 spreekt Jesjoea de wetgeleerden erop aan dat ze de sleutel van de kennis hebben weggenomen. De sleutel die de deur naar het Koninkrijk opent, is dus de sleutel van kennis.

Welke kennis? Als we een stukje teruggaan in Mattheüs 16, dan blijken de sleutels van het Koninkrijk in de context te staan van een waarschuwing over de dwaalleer van de Farizeeën en de Saduceeën (Matthëus 16:12). En ook in de context van de openbaring (kennis) aan Petrus, dat Jesjoea de Messias is (Mattheüs 16:16). Dwaling/leugen en waarheid dus. De sleutel van de kennis in Lukas 11 staat in de context van het binnenste van de Farizeeën dat gereinigd moet worden (Lukas 11:39-41). Ons binnenste wordt gereinigd van leugens en dwalingen door Zijn waarheid aan te nemen. De wetgeleerden hebben de sleutel van de kennis weggenomen, waardoor zij niet zijn binnengegaan (Lukas 11:52). Binnengegaan waarin? Wederom: het Koninrijk. Welke sleutel van kennis opent dan de deur naar Zijn Koninkrijk? Dat is de kennis die in Jesjoea verborgen is:

“opdat hun harten bemoedigd mogen worden, samengevoegd in de liefde, en zij tot heel de rijkdom van de volle zekerheid van het inzicht mogen komen, om het geheimenis te leren kennen van God, en van de Vader en van Christus, in Wie al de schatten van de wijsheid en van de kennis verborgen zijn.” Kolossenzen 2:2-3

Deze kennis is volgens deze tekst een verborgen schat. Jesjoea spreekt in Mattheüs 13:44 ook over deze verborgen schat:

Het Koninkrijk der hemelen is ook gelijk aan een schat, in de akker verborgen, die iemand vond en verborg; en van blijdschap daarover gaat hij heen en verkoopt alles wat hij heeft, en koopt die akker.”

Het onderwijs van Jesjoea gaat over het Koninkrijk (Lukas 4:43). En Hij onderwijst geheimenissen, in de vorm van gelijkenissen: 

“Hij zei: Aan u is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk van God te kennen, maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij niet zien, ook al zien zij, en niet begrijpen, ook al horen zij.” Lukas 8:10

En die moeten we ‘horen’ en zoeken:

“Maar zoek eerst het Koninkrijk van God” Mattheüs 6:33

We moeten het zoeken, omdat het verborgen is (Mattheüs 13:44, Kolossenzen 2:2-3). Maar Hij belooft dat wie zoekt, zal vinden:

“Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.” Mattheüs 7:7

En kloppen en opengedaan worden verwijzen ook weer naar de deur.

Waar moeten we het zoeken?

“En men zal niet zeggen: Zie hier of zie daar, want, zie, het Koninkrijk van God is binnen in u.” Lukas 17:21

Niet ‘hier’ of ‘daar’, dus niet ergens buiten onszelf. Maar ‘binnen in u’. En binnen in ons, is ons hart en denken. En dat is precies de plek waar kennis zit.

Maar welke kennis zit daar? De kennis die bedoeld wordt in Kolossenzen 2:3? Er is namelijk ook een andere soort kennis:

die altijd leren en nooit tot kennis van de waarheid kunnen komen.” 2 Timotheüs 3:7

“En wat de afgodenoffers betreft: wij weten dat wij allen kennis bezitten. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde bouwt op. En als iemand denkt iets te weten, dan heeft hij nog niets leren kennen zoals men behoort te kennen.” 1 Korinthe 8:1-2

En deze kennis komt niet tot de waarheid. Deze kennis leidt niet tot het Koninkrijk binnen in ons. Het is dus essentieel om te leren onderscheiden tussen de ‘kennis die in Jesjoea verborgen is’ (Kolossenzen 2:3) en de kennis die ‘opgeblazen’ is en ‘nooit tot de waarheid kan komen’ (1 Korinthe 8:1-2, 2 Timotheüs 3:7). Kennis die leidt tot het Koninkrijk, is kennis die ‘hoort wat de Geest zegt’, kennis die Jesjoea ons aanreikt in Zijn onderwijs over het Koninkrijk. Met deze sleutels kunnen we de deur openen naar het Koninkrijk. Kennis die niet leidt tot het Koninkrijk, is alle andere (geestelijke) kennis die in ons denken is. En dat zijn gedachten van leugens en dwalingen vanuit de mens.

Bij de slaaf werd het oor doorboord. Jesjoea’s handen en voeten zijn doorboord (Psalm 22:17, Lukas 24:38). Het is opmerkelijk dat de handen, voeten en oren terug komen in het ritueel van de inwijding van priesters:

“Men slachtte hem, en Mozes nam een deel van zijn bloed, en streek het op de rechteroorlel van Aäron, op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet.” Leviticus 8:23

De priester, die symbool staat voor het honderdvoudig denken (1), wordt ingewijd door het strijken van bloed op zijn oor, hand en voet. Dit bloed wijst vooruit naar het bloed van Jesjoea, dat onze geestelijke oren opent en dat onze handen en voeten schoon wast van leugens en dwalingen (2). Daardoor kunnen we geestelijk groeien naar het honderdvoudig denken waar de priester symbool voor staat.

Het strijken van bloed op de oren, handen en voeten, komt ook terug in het ritueel van de reiniging van melaatsen in Leviticus 14:14-20. In een eerder blog heb ik uitgelegd dat melaatsheid verwijst naar leugens en dwalingen in ons denken (3). Zijn bloed reinigt ons van zonde (leugens en dwalingen, oftewel ‘gedachtespinsels van ons hart’ (Genesis 6:5)). Hoe minder leugens en dwalingen in ons denken zijn, hoe beter onze geestelijke oren kunnen horen. En ook hier reinigt Zijn bloed onze handen en voeten, die symbool staan voor leugens en dwalingen (2).

“Maar als de slaaf nadrukkelijk zegt: Ik heb mijn Meester (…) lief, ik wil niet als vrij man vertrekken, (…) Zijn Meester moet dan met een priem zijn oor doorboren. Zo zal hij Hem voor eeuwig dienen.”

De slaaf was vrij om te kiezen of hij na zes jaar zijn meester wilde blijven dienen. Zo zijn ook wij vrij om te kiezen. Als wij ervoor kiezen om ons geestelijke oor te laten vastzetten op de Deur (om te horen dus naar de geestelijke waarheid van Zijn Woord), dan zal Hij voor altijd onze Meester zijn. En dan noemt Hij ons niet langer dienaar, maar dan noemt Hij ons vriend (Johannes 15:15).

_________________________

  1. hoe de priester symbool staat voor het honderdvoudig denken uit de gelijkenis van de zaaier (Mattheüs 13), leg ik uitgebreid uit in mijn boek.
  2. Zie hiervoor mijn blog Zie mijn handen en voeten.
  3. Zie hiervoor mijn blog Geestelijke dood en geestelijk leven.

Geestelijke dood en geestelijk leven

“De wolk week van boven de tent, en zie, Mirjam was melaats, wit als sneeuw. Toen keerde Aäron zich om naar Mirjam, en zie, zij was melaats. Daarom zei Aäron tegen Mozes: Met uw toestemming, mijn heer, leg toch niet op ons de zonde waarmee wij dwaas gehandeld hebben en die wij begaan hebben. Laat zij toch niet zijn als een doodgeborene, van wie, als hij uit het lichaam van zijn moeder komt, de helft van zijn lichaam al verteerd is!” Numeri 12:10-12

In Numeri 12 roddelen Mirjam en Aäron over Mozes, over de vrouw die Mozes genomen had. In de ogen van JHWH was dit onterecht, en dat had tot gevolg dat Mirjam melaats werd. Haar melaatsheid staat rechtstreeks in verbinding met haar kwaadsprekerij. Zij sprak kwaad over Mozes vanuit leugens en dwalingen in haar denken; het was niet vanuit de waarheid van JHWH. En in vers 11 erkent Aäron dat dit een zonde was. De bijbelse betekenis van zonde is leugens en dwalingen in ons denken en hart. We kunnen dit o.a. opmaken uit Genesis 6:5 waar de reden van de zondvloed staat vermeld: gedachtespinsels van het hart. Melaatsheid verwijst dus naar leugens en dwalingen in het menselijk denken.

“Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om reukwerk in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, voor de ogen van de priesters, in het huis van de HEERE, bij het reukofferaltaar.”
2 Kronieken 26:19

Het is opmerkelijk dat in deze tekst de melaatsheid op het voorhoofd verschijnt, de plek waar ons denken zit.

“Wanneer u komt in het land Kanaän, dat Ik u tot bezit geef, en Ik de ziekte van de melaatsheid toedeel aan een huis…” Leviticus 14:34

In deze tekst staat dat een huis melaats kan zijn. Huis verwijst in de Bijbel naar ons denken. Dit wordt duidelijk als we bijvoorbeeld kijken naar het ongezuurde brodenfeest in Exodus 12:15, en naar Spreuken 24:3 en Mattheüs 7:24. Ik leg dit uitgebreider uit in mijn boek. Leviticus 14:34 verwijst dus naar leugens en dwalingen (melaatsheid) in ons denken (huis). En ook in deze tekst komt de melaatsheid rechtstreeks van JHWH. Dat leugens en dwalingen vanuit Hem kunnen komen, bevestigt o.a. 2 Thessalonicenzen 2:11:

“En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven.”

In Numeri 12:12 wordt Mirjam vergeleken met een doodgeborene, door de melaatsheid die JHWH haar toebedeelde. Leugens en dwalingen is wat zonde ten diepste is, en Romeinen 6:23 zegt dat het loon (het resultaat) van de zonde de dood is. Leugens en dwalingen in ons denken brengen ons dus geestelijke dood.

“Want het denken van het vlees is de dood” Romeinen 8:6

Als leugens en dwalingen ons geestelijke dood brengen, dan brengt Zijn waarheid ons geestelijk leven.

Maar: dood en dood betekenen niet hetzelfde in de Bijbel…

“Kostbaar is in de ogen van de HEERE de dood van Zijn gunstelingen.” Psalm 116:15

We hebben gezien dat leugens en dwalingen ons geestelijke dood brengen. Daar zou JHWH onmogelijk blij mee kunnen zijn, toch? Op het eerste oog is dit dus een vreemde Psalmtekst. Waarom zou JHWH blij zijn met onze dood? Als het zou gaan om de dood van de goddelozen, dan zouden we het misschien nog begrijpen. Maar het gaat hier om de dood van Zijn gunstelingen…

“Want wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven verliezen zal omwille van Mij, die zal het behouden.” Lukas 9:24

Ook deze tekst zegt dat het beter is te sterven dan te leven. Wanneer is het beter te sterven dan te leven? Als we sterven aan ons vlees, aan de leugens en dwalingen in ons denken. Het is beter aan jezelf (je leugens en dwalingen) te sterven, zodat je geestelijk gaat leven. En dat is een dood die kostbaar is in de ogen van JHWH.

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, maar als hij sterft, draagt hij veel vrucht.”
Johannes 12:24

“En weer een ander deel viel in de goede aarde en gaf vrucht, het ene honderd-, het andere zestig-, en een ander dertigvoudig.” Mattheüs 13:8

Dood en dood is in de Bijbel dus niet altijd hetzelfde. De context van de tekst bepaalt de betekenis.

——

Als dit blog je bekend voorkwam, dan ben je een volger van de Facebook pagina van Zoek eerst het Koninkrijk. Dit blog heb ik recent in een aantal delen op deze Facebook pagina geplaatst. Op deze Facebook pagina post ik frequenter, dan dat ik blogs op deze website plaats. Wil je dus vaker lezen over dit soort onderwerpen, volg dan de pagina facebook.com/zoekeersthetkoninkrijk.

Hoe de maan naar Jesjoea verwijst

“Dan zal het licht van de volle maan zijn als het licht van de gloeiende zon, en het licht van de zon zal zevenmaal sterker zijn, net als het licht van zeven dagen, op de dag dat de HEERE de breuk van Zijn volk zal verbinden en de wond die het is toegebracht, zal genezen.” 
Jesaja 30:26

In het vierde deel van de studieserie over het boek Jona, zagen we dat de zon in de Bijbel symbool staat voor JHWH. De Messias is het Licht van de wereld (Johannes 8:12). De zon is de bron van het licht; het licht van de waarheid komt van de Vader (Johannes 5:19). De eerste uitspraak van JHWH in de bijbel is: “Laat er licht zijn” (Genesis 1:3). 1 Timotheüs 6:16 zegt dat Hij in een ontoegankelijk licht woont. In Psalm 84:12 wordt JHWH een zon genoemd, en in Maleachi 4:2 zal onder de vleugels van de Zon der gerechtigheid genezing zijn (zie ook Psalm 91). In Prediker beschouwt de schrijver alles wat gebeurt ‘onder de zon’. Deze uitdrukking wordt vaak (27x) gebruikt in het boek Prediker. De zon staat boven alles wat gebeurt, Hij staat boven alles. In Psalm 19:7 is niks verborgen voor de zon, zie ook Psalm 139:4.

Als we deze redenering volgen, dan staat de maan symbool voor de Messias. Zon en maan zijn nauw met elkaar verbonden. De maan weerkaatst het licht van de zon, hij geeft het licht van de zon door. In Jesaja 30:26 is het licht van de maan als het licht van de zon. In dezelfde tekst wordt het licht van de zon zevenmaal sterker genoemd, als het licht van zeven dagen. Het getal zeven wordt in de bijbel vaak gebruikt als symbool voor perfectie.

Chodesj is het Hebreeuwse woord voor nieuwe maan en nieuwe maand. Chodesj komt van  het Hebreeuwse woord chadasj en chadasj betekent (ver)nieuw(en). Elke (Bijbelse) nieuwe maan(d) wordt stil gestaan bij het feit dat de maan weer ‘opstaat’. Het is een symbool voor het nieuwe.

“En Hij Die op de troon zit, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw.” Openbaring 21:5

De Messias maakt alle dingen nieuw. Door Hem zullen ook wij opstaan in nieuw leven.

“En er verscheen een groot teken in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, en de maan was onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.” Openbaring 12:1

In 2017 waren er hooggespannen verwachtingen rondom hemellichamen die in een zeldzame verhouding zouden staan, hetgeen een verwijzing zou zijn naar de profetie van Openbaring 12. Veel mensen verwachtten in dat jaar dan ook de terugkomst van Jesjoea of het einde van deze wereld. Openbaring is een boek vol symbolische taal, dat niet los kan worden gezien van dezelfde symbolische taal elders in het Woord. In mijn boek leg ik uit dat er twee typen vrouwen zijn in het Woord. In een eerder blog schreef ik hier ook over. De vrouw uit Spreuken 31, of de Bruid van de Messias, symboliseren het ene type vrouw; de hoer van Babylon het andere type. Openbaring 12:1 verwijst naar het type vrouw dat verbonden is met de zon (JHWH) en de maan (de Messias). Het verwijst dus naar de symbolische vrouw die geestelijk gegroeid is naar het beeld van Jesjoea en de Vader, de vrouw die verbonden is met de honderdvoudige vrucht uit de gelijkenis van de zaaier (Mattheüs 13). En dat is dus de Spreuken 31-vrouw. Deze vrouw bevindt zich in deze tekst symbolisch in de hemel. In mijn boek leg ik uit dat hemel en aarde in de Bijbel tegenover elkaar staan. De begrippen boven en beneden verwijzen naar hetzelfde. Zie bijvoorbeeld 1 Korinthe 15:47, Johannes 3:31 en 8:23. De hemel boven verwijst naar de honderdvoudige vrucht uit de gelijkenis van de zaaier, en de aarde beneden verwijst naar de dertig- en zestigvoudige vrucht. De honderdvoudige symbolische vrouw bevindt zich logischerwijs dus in de geestelijke hemel. En natuurlijk kan deze geestelijke vrouw zowel een fysieke vrouw als een fysieke man zijn.

Twee bomen

“En de HEERE God liet allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, begerenswaardig om te zien en goed om van te eten; ook de boom des levens, in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad.” Genesis 2:9

Naast ‘allerlei bomen’ waren er in de Hof ook twee specifieke bomen: de boom van de kennis van goed en kwaad en de boom des levens. En geestelijk gezien zijn deze er nog steeds. De mens mocht niet eten van de boom van de kennis van goed en kwaad (Genesis 2:17). Maar de mens had een keus, en heeft helaas gekozen toch van deze boom te eten.

Duizenden jaren later hebben wij nog steeds dezelfde keus. Eten we van de boom van de kennis van goed en kwaad? Of eten we van de boom des levens? De boom van de kennis van goed en kwaad heeft twee verschillende vruchten zou je kunnen zeggen: goed en kwaad. Dat we van ‘kwaad’ niet mogen eten, klinkt logisch. Maar wat zou de reden zijn dat we ook niet van ‘goed’ mogen eten? Wat is er fout aan goed?

De Bijbel roept ons herhaaldelijk op om ons denken te laten vernieuwen. Dat doen we concreet door leugens en dwalingen te vervangen door de waarheid. Welke leugens en dwalingen worden dan ten diepste bedoeld? En welke waarheid wordt ten diepste bedoeld? Gaat het bijvoorbeeld om de waarheid dat ik een vrouw ben met bruin haar? Dat is een feit en geen leugen. En het is ook geen ‘kwaad’. Moeten we op zoek naar waarheid over aardse zaken? Of moeten we op zoek naar waarheid over hemelse, geestelijke, zaken? Richten we onze ogen op de aarde? Of richten we onze ogen naar de hemel?

“Wij houden onze ogen immers niet gericht op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.” 2 Korinthe 4:18

De boom van de kennis van goed en kwaad staat op de (geestelijke) aarde. De boom des levens is in de (geestelijke) hemel. JHWH wil niet dat we de aardse vrucht ‘goed’ eten, van de boom van de kennis van goed en kwaad, maar Hij wil dat we de hemelse vrucht ‘leven’ eten, van de boom des levens. Wat ‘fout’ is aan ‘goed’, is dat het geen ‘leven’ is: het is eten van de verkeerde boom.

Wat is het verschil? Misschien maakt een concreet voorbeeld dit duidelijker. Op mijn tijdlijn op Facebook komen wel eens discussies voorbij over de vorm van de aarde. Daar worden ook Bijbelteksten bij gebruikt en dan lijkt het alsof we het over hogere geestelijke (hemelse) waarheid hebben. Laten we in dit voorbeeld uitgaan van de aanname dat de aarde plat is. Op het niveau van de boom van de kennis van goed en kwaad, is de mening dat de aarde plat is dan ‘goed’ en de mening dat de aarde een bol is ‘kwaad’. Maar beide opvattingen zullen ons geen leven geven. Want we eten van de verkeerde boom!

Als de Bijbel oproept om ons denken te vernieuwen door Zijn waarheid, dan wordt ten diepste Zijn diepere en hogere geestelijke waarheid bedoeld. De waarheid van Zijn Koninkrijk. En die vinden we in de diepere, geestelijke betekenis van Zijn Woord. Het gaat dus niet om de waarheid over allerlei aardse zaken, zelfs niet als het Zijn fysieke schepping betreft. De boom des levens symboliseert een hogere waarheid, Zijn diepere geestelijke waarheid. Als we vooral waarheid over allerlei aardse zaken ‘eten’ – al vinden we die in de letterlijke uitleg van Zijn Woord of in Zijn fysieke Schepping – dan eten we ‘goed’ van de boom van de kennis van goed en kwaad. Maar waarheid op dat gebied zal nooit Zijn leven geven. Want we eten niet van de boom des levens. En alleen de vrucht van deze boom geeft leven. Het is belangrijk om dit onderscheid te beseffen! En het geldt voor heel veel onderwerpen waar we ons in ons denken mee bezig houden. Vraag je steeds af: is het ‘goed’? Of geeft het leven? Eet ik van de boom van de kennis van goed en kwaad? Of eet ik van de boom des levens?

In de Bijbel symboliseren bomen mensen. Psalm 1 vergelijkt een mens die het advies van goddelozen niet aanneemt maar zijn vreugde vindt in Zijn Wet, met een boom. In Zacharia 4 worden de twee gezalfden vergeleken met een boom. En als Jesjoea in Markus 8 een blinde man weer zicht geeft, dan ziet hij in eerste instantie mensen als bomen rondlopen (lopen bomen rond?). Als we dit verbinden met de twee bomen in de Hof, dan zijn dit twee verschillende mensen: een mens van wie je goed of kwaad kunt eten (aannemen), en een mens van wie je leven kunt eten (aannemen). Laten we van mensen eten van wie we weten dat Zijn leven, Zijn waarheid, in hen is, zodat we van de boom des levens eten. Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 2:4-7:

“En mijn spreken en mijn prediking bestonden niet in overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar in het betonen van geest en kracht, opdat uw geloof niet zou bestaan in wijsheid van mensen, maar in kracht van God. En wij spreken wijsheid onder de geestelijk volwassenen, maar een wijsheid niet van deze wereld, en ook niet van de leiders van deze wereld, die tenietgedaan worden. Wij spreken echter de wijsheid van God, als een geheimenis; een wijsheid die verborgen was en die God vóór alle eeuwen voorbestemd heeft tot onze heerlijkheid.”

Laten we ons uitstrekken naar meer dan goed, laten we ons uitstrekken naar leven! Laten we ons hart en denken steeds meer vullen met Zijn hogere en diepere geestelijke waarheid, zodat ook wij mensen leven te eten kunnen geven.

Jesjoea is het Leven. Hij is het Brood des Levens (Johannes 6:35), en Hij geeft ons Levend water (Johannes 4:10). Hij is de weg, de waarheid en het Leven (Johannes 14:6). Vernieuw je denken dus niet met het ‘goede’ van de wereld, maar laat je denken vernieuwen door Zijn onderwijs en waarheid (Efeze 4:21, 23). En Zijn onderwijs is geest, en geeft leven (Johannes 6:63).

“Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God.” 1 Korinthe 3:19