Wie zal verblijven in Zijn tent?

“HEERE, wie zal verblijven in Uw tent? Wie zal wonen op Uw heilige berg?” Psalm 15:1

In mijn vorige blog Ik wil horen Uw zachte stem schreef ik hoe tent, woning en andere verblijfplaatsen in de bijbel verwijzen naar het denken. Dit blog schreef ik naar aanleiding van het lied van Mozes en de Israëlieten in Exodus 15. In dit lied staat dat Hij Zijn volk leidt naar Zijn heilige woning en hen zal planten op Zijn berg. Hetzelfde principe, maar in andere bewoordingen, vinden we terug in Psalm 15. Als tent verwijst naar het denken, dan verwijst de tent van JHWH naar Zijn denken, naar Zijn gedachten.

In Psalm 15 staat wie verblijven zal in Zijn tent en op Zijn heilige berg. Dat is iedereen die oprecht wandelt, gerechtigheid beoefent, woorden van waarheid spreekt en niet van laster of smaad, geen kwaad doet, trouw blijft aan zijn eed, zijn geld niet uitleent tegen rente en een geschenk ten nadele van de onschuldige niet aanvaardt. De psalm sluit af met “wie deze dingen doet, zal niet wankelen, voor eeuwig”. Deze psalm lijkt ons te vertellen dat het vooral om onze daden gaat. Maar de psalm begint met Zijn tent en Zijn heilige berg en beide begrippen verwijzen naar Zijn gedachten (zie voor berg mijn blog Zijn we al op Zijn berg) die onze gedachten moeten worden (Jesaja 55:8). Hoe is dit verbonden met onze daden?

Vers 2 van deze psalm noemt als eigenschap van degene die zal verblijven in Zijn tent en op Zijn heilige berg, dat hij “met zijn hart de waarheid spreekt”. En hier raken we de kern. Alle in deze psalm genoemde zaken kunnen we alleen volmaakt doen als ons hart Zijn hart is. En ons hart wordt Zijn hart, als we ons denken vullen met Zijn gedachten van waarheid. Dat is het proces van het vernieuwen van ons denken dat Efeziërs 4 beschrijft. In de verzen 17 t/m 19 van dit hoofdstuk wordt gedrag genoemd van de oude mens, voortkomend uit het menselijk denken (“de zinloosheid van hun denken”, “verduisterd in het verstand”, vers 17 en 18) en hart (“verharding van hun hart”, vers 18). Vervolgens roepen de verzen 22 en 23 op deze oude mens af te leggen en vernieuwd te worden in het denken; vernieuwd te worden door de waarheid van het onderwijs van Jesjoea (vers 21). En ten slotte geven de verzen 24 t/m 32 aan wat dit vernieuwde denken uitwerkt: daden van rechtvaardigheid en heiligheid (vers 24), vanuit het denken dat vernieuwd is door Zijn waarheid. Dezelfde oprechte wandel en beoefening van gerechtigheid die Psalm 15:2 ook noemt. We moeten de focus dus verleggen; van onze buitenkant: ons handelen, naar onze binnenkant: een veranderd denken en hart.

Dit maakt ook Jesjoea duidelijk in Mattheüs 5:27-28, waar Hij aangeeft dat niet alleen de daad van overspel zonde is, maar dat die zonde gepleegd wordt in het hart. Het al dan niet uitvoeren van deze gedachten van het hart, is volgens Jesjoea dus geen voorwaarde om deze zonde begaan te hebben. En als overspel betekent dat we iemand anders begeren dan degene aan wie wij toebehoren, dan plegen we overspel tegenover Hem waar leugens en dwalingen vanuit de mens nog in ons hart en denken zijn op de plek waar Zijn waarheid zou moeten zijn. Het gaat dus ten diepste om de “gedachtespinsels van het hart”, dat volgens Genesis 6:5 de oorzaak was van de zondvloed. De bijbelse definitie van zonde raakt ten diepste dus ons hart en denken (gedachtespinsels van ons hart), en niet de handelingen die daaruit voort kunnen komen. Zichtbare handelingen zijn geen voorwaarde om bijbels gezien te zondigen, het denken leidt al tot de (geestelijke) dood (Romeinen 6:23, 8:5-6). Ook in Jeremia 18:12 en 1 Korinthe 7:37 wordt duidelijk dat wie in zijn hart iets besloten heeft, daar vervolgens naar zal handelen. Zondige daden zijn een symptoom van een onveranderd hart, een hart dat nog niet één is met het hart van JHWH.

Zonde is dus het denken van de mens dat niet één is met de gedachten van JHWH. En alles wat niet één is met Hem, is dwaling en leugen. Het fundament van elke zondige gedachte of handeling is een leugen, die vernietigd moet worden door Zijn waarheid. Hoe veranderen we dus ons denken, zodat ons denken Zijn denken wordt en vervolgens ons hart Zijn hart? Dat doen we door ons denken te vullen met de diepere waarheid van Zijn Woord, die de leugens en dwalingen uit ons denken zal verwijderen. Zo zullen we veranderen naar Zijn beeld (Efeziërs 4:15, 24). En dan zullen we verblijven in Zijn tent (Zijn denken) en wonen op Zijn heilige berg (Zijn denken), en daardoor oprecht gaan wandelen en gerechtigheid beoefenen (Psalm 15:2). Dan zijn Zijn gedachten onze gedachten, en daarom Zijn wegen ook onze wegen (Jesaja 55:8). Dan doen we zoals Jesjoea deed, die niets deed zonder dat Hij het de Vader zag doen (Johannes 5:19). Dan “zullen we niet wankelen, voor eeuwig” (Psalm 15:5), omdat ons huis (denken) is gefundeerd op de waarheid van de Rots (Jesjoea) en niet op de leugens en dwalingen vanuit het denken van de mens van de aarde (zand) (Mattheüs 7:24-27).

“Dit zeg ik dan en getuig ervan in de Heere, dat u niet meer wandelt zoals de andere heidenen wandelen, in de zinloosheid van hun denken, verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven dat uit God is, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding van hun hart. (…) en dat u vernieuwd wordt in de geest van uw denken, en u bekleedt met de nieuwe mens, die overeenkomstig het beeld van God geschapen is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid.” Efeziërs 4:17-18, 23-24